In de politiek instabiele situatie in Duitsland, vlak na de Eerste Wereldoorlog, breekt een roerige periode uit, die begint met een matrozenopstand in de Duitse havenstad Kiel. De Duitse Revolutie! Nog voordat de rook van de Eerste Wereldoorlog goed en wel was opgetrokken, brandden er op verschillende plaatsen in Europa alweer lonten, die revolutionaire kruitvaten moesten laten springen. Er braken revoluties uit in Rusland, Duitsland, Oostenrijk en Hongarije en de verwachting was dat deze ontwikkelingen zich ook buiten de grenzen van deze landen zouden gaan manifesteren. Heel Centraal Europa was politiek instabiel en economische inzinkingen waren nabij. De Duitse Revolutie, ook wel de Novemberrevolutie genoemd, was van enorm belang voor de Duitse en Europese geschiedenis: het deed het Duitse keizerrijk uiteindelijk ineenstorten.
Initiator van deze revolutie was een opstand van matrozen in de Duitse havenstad Kiel. Al snel verbreidde het revolutionaire vuur zich over de andere havens en de meeste grote steden. De Duitse Rijkskanselier, Max von Baden, probeerde de Duitse keizer Wilhelm II ertoe te bewegen af te treden, om verdere ongeregeldheden te voorkomen. Uit angst om haar vat op de massa te verliezen, had de socialistische partij intussen op zeven november 1918 een ultimatum aan de regering gesteld: indien de keizer niet voor 9 november ’s middags om 12 uur zou zijn afgetreden, dan zouden de socialistische ministers aftreden en oproepen tot algemene werkstaking, hetgeen uiteindelijk ook gebeurde.
Keizer Wilhelm II (vierde van links) bij de Belgisch-Nederlandse grens op 10 november 1918 op weg naar zijn ballingschap in Nederland. Bron: Wikipedia
Tegen twee uur ’s middags riep staatssecretaris Philip Scheidemann (zie foto) de Duitse Republiek uit waarbij een deel van het leger overliep naar het volk. Nadat rijkskanselier Von Baden op eigen initiatief verklaarde dat de Duitse keizer buitenspel gezet was, werd de socialist Friedrich Ebert het hoofd van de voorlopige regering. Nog op diezelfde negende november werd de Republiek van Weimar uitgeroepen, waarbij een raad van volkscommissarissen in de plaats kwam van de oude, keizerlijke regering. Op 28 november deed de naar Nederland gevluchte Duitse keizer officieel afstand van zijn troon. De vorsten van de Duitse staten waren hem al voorgegaan.
Na de val van de Duitse keizer bleef de situatie uiterst gespannen. Extreem links wenste een verdere radicalisering van de revolutie, terwijl uiterst rechts zich daarentegen richtte op de vernietiging van de jonge Weimar-republiek. Na een mislukte poging tot staatsgreep van de links-radicale Volksmarinedivision tijdens de kerstdagen van 1918, liepen onafhankelijke socialisten in januari 1919 naar de communisten over, waarna de laatsten op 5 januari 1919 in Berlijn de macht probeerden te grijpen. In een poging om deze revolte de kop in te drukken, verbonden de socialisten, onder leiding van Friedrich Ebert, zich met de reactionairen en conservatieven en wisten zij samen de communistische opstand neer te slaan.
Op 19 januari 1919 werden verkiezingen voor de Nationale Vergadering gehouden. Er werden 163 meerderheidssocialisten, 22 onafhankelijke socialisten, 88 leden van de Centrumpartij, 75 leden van de Democratische Partij, 42 nationalisten en 31 anderen gekozen. De communisten weigerden deel te nemen aan de verkiezingen. Op 6 februari kwam de Nationale Vergadering te Weimar bijeen. Er werd een noodconstitutie aangenomen en Friedrich Ebert werd 11 februari tot rijkspresident gekozen. Op 13 februari vormde Philip Scheidemann het eerste kabinet van de republiek (socialisten, katholieken en democraten; coalitie van Weimar).
De verkiezingen maakten echter geen eind aan alle onrust in het land. Volksopstanden waren nog altijd aan de orde van de dag. Dit was deels vanwege teleurstelling bij de radicale massa vanwege het beleid van de nieuwe regering, maar ook vanwege de uitzichtloze chaos en demoralisering waarin Duitsland zich na de Eerste Wereldoorlog bevond. Het kwam dan ook tot talrijke stakingen. In februari en maart 1919 liet de regering al deze bewegingen op bloedige wijze onderdrukken. In april 1919 kwam het in Beieren nog tot de oprichting van een radenrepubliek. Ook daaraan werd begin mei op wrede wijze een eind gemaakt. Daarmee was de Novemberrevolutie uitgewoed. Het neerslaan van de volksopstanden betekende een eind aan één van de meest chaotische momenten uit de toch al zo ingewikkelde Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw.
Tal van historici hebben hun overpeinzingen over deze periode aan het papier toevertrouwd. Hun meningen vertonen minstens zoveel verschillen als overeenkomsten en dat is temeer een reden om deze, soms paradoxale meningen in dit artikel aan de orde te stellen. Aan het woord komen de historici James Joll, Golo Mann, Sebastian Haffner, Hans-Ulrich Wehler en Jürgen Hess. Aan de hand van de redeneringen van deze historici geef ik een beeld van de uiteenlopende visies die er bestaan omtrent de Duitse Novemberrevolutie. Tevens geef ik een antwoord op een aantal belangrijke vragen: heeft er daadwerkelijk een revolutie plaatsgevonden en zo ja, was het dan een revolutie ‘van boven’ , geïnitieerd door de Duitse elite, of een revolutie ‘ van onderen’ , bewerkstelligd door de linkse massa? Is de Duitse revolutie vergelijkbaar met de Russische, of zijn het niet vergelijkbare processen? Heeft Ebert met zijn partijtop zijn achterban verraden door de ongeregeldheden op 5 januari 1919 de kop in te drukken, of heeft hij juist het volk behoed voor een communistische dictatuur?
Rusland als voorbeeld?
Vaak genoeg worden revoluties met elkaar vergeleken en vanwege enkele kenmerkende overeenkomsten als ‘ soortgelijk’ bestempeld. Vanzelfsprekend gebeurt dit ook bij de vergelijking tussen de Duitse en Russische revoluties. Nadere bestudering van beide revoluties ondermijnt echter het vertrouwen in deze stelling. Natuurlijk zijn er overeenkomsten, maar de hierboven genoemde auteurs zijn het eens over de aanname dat de Russische en Duitse revoluties onderling te veel verschilden om met elkaar op één lijn te worden gezet.
Joll komt met een aantal sterke argumenten. Hij stelt dat de Sovjets in Rusland het land voor de revolutie al grotendeels in handen hadden, in tegenstelling tot de raden van arbeiders en soldaten in Duitsland, die vaak nog naar de pijpen van de reguliere autoriteiten dansten. Verder konden de communisten in Duitsland ook niet voorkomen dat de volksvergadering bijeengeroepen werd en vonden zij dat de snelheid van de revolutie afhing van de revolutie zelf, terwijl Sovjet-goeroe Lenin daarentegen van mening was dat de revolutie in een zo hoog mogelijk tempo moest worden doorgevoerd. Tot slot ziet Joll in dat de communistische partij in Duitsland klein bleef, zonder effectieve organisatie en zonder de Russische overtuiging dat een minderheidspartij de macht zou kunnen overnemen.
Haffner, Wehler en Mann sluiten zich aan bij de stelling van Joll dat de Duitse Revolutie niet zonder meer vergeleken mag worden haar vermeende Russische evenknie. Haffner benadrukt dat de revolutionairen in Duitsland niet de macht wilden over de produktiemiddelen, onderdeel van de marxistische ideologie, maar dat zij de volledige controle wensten over het staatgezag. Dit is een fundamenteel verschil met de Russische situatie, waar het overheidsapparaat al voor de revolutie was ingestort, waardoor er bij de Russische gebeurtenissen geen sprake was van een werkelijk overnemen of veroveren van de staatsmacht. Bovendien wilden de Duitse revolutionairen een democratie en geen communistische dictatuur, waardoor er dus ook sprake is van een duidelijk ideologisch verschil.
Mann wijst erop dat de Russische revolutie gekenmerkt werd door algehele chaos, terwijl in Duitsland ordehandhaving voorop stond. Wehler voegt daar aan toe dat er in Duitsland ten tijde van de revolutie geen ondraaglijke situatie bestond. Volgens Wehler hing dit gegeven samen met het uitblijven van volksmenners als Lenin en Trotski, die de het lijdende volk konden verenigen een aansturen.
Revolutie of geen revolutie?
Friedrich Ebert (Heidelberg, 4 februari 1871 – Berlijn, 28 februari 1925) was een Duits politicus (SPD). Van 1919 tot zijn dood was hij rijkspresident. Ebert leidde Duitsland door de overgangsperiode van het keizerrijk naar de Weimarrepubliek. Zijn zoon Friedrich Ebert jr. was van 1948 tot 1967 de communistische Oberbürgermeister van Oost-Berlijn. Bron: Wikipedia
Een tweede, vaak gestelde vraag is of de gebeurtenissen zoals die destijds in Duitsland plaatsvonden, überhaupt als revolutie omschreven kunnen worden en zo ja, of dit dan een van bovenaf geforceerde revolutie was, geïnitieerd door een politieke elite, of juist een revolutie van onderen, afgedwongen door de arbeidersmassa. De auteurs zijn het eens over het feit dat er een revolutie heeft plaatsgevonden, maar wat betreft de karakterisering van de gebeurtenissen houden zij er verschillende standpunten op na. Zo beschrijft Haffner de revolutie als een val van de heersende klasse en een hervorming van de staat. Het is echter de vraag of de formulering van Haffner van toepassing kan zijn op de Duitse revolutie. Hoewel het bureaucratische bestuur en de keizer in eerste instantie verdwenen, sloot Ebert later een pact met de reactionaire krachten om de revolutie neer te slaan. Was er dan wel sprake van een definitieve val van de heersende klasse, als zij op de achtergrond nog deels de touwtjes in handen leken te hebben? Of verving de ene heersende elite de andere? Verder, en dat beschrijft Hess in zijn artikel, was er ook geen sprake van een hervorming van de staat. Er was geen herstructurering van het militaire apparaat, de overheidsorganen, de economie, de rechtspraak en de universiteiten.
Ondanks het uitblijven van dit soort elementaire veranderingen gelooft Haffner toch in een revolutie. Het uitblijven van essentiële veranderingen verklaart hij door te stellen dat er sprake was van een socialistische revolutie, en geen communistische staatsgreep. Dat deze opstand neergeslagen werd, zij het door de eigen partijtop, is volgens Haffner het bewijs dat er inderdaad van een revolutie gesproken kan worden. De revolutie werd in de visie van Haffner gemaakt door de miljoenen arbeiders en soldaten en dus is het een revolutie van onderaf. De vraag rijst echter of een neergeslagen revolutie wel als een volwaardige revolutie kan worden aangemerkt en niet als ’slechts’ een poging tot revolutie.
Mann gelooft in navolging van Haffner ook in een revolutie, maar zegt dat er eigenlijk twee revoluties zijn geweest: de invoering van het parlement was een zwakke revolutie van boven en de militaire staking, de zwakke revolutie van onderen, volgde hierop. Kritiek punt in de bewering van Mann is zijn stelling dat de muiterij in Kiel een revolutionaire actie was, in plaats van een aanleiding tot revolutie. Hij maakt de bedoelingen van de muitende matrozen echter niet duidelijk, waardoor de vraag blijft of de matrozen werkelijk revolutionaire plannen hadden. De invoering van een parlement was weliswaar een grote verandering, maar gelet op het feit dat de keizer zijn positie behield en er structureel weinig veranderde, is de term ‘revolutie’ wellicht overtrokken.
Wehler sluit zich aan bij de visie dat er sprake was van een revolutie, en zijn verklaring komt overeen met de definitie van Haffner. Ook Wehler ziet een val van het oude keizerrijk, een doorbreking van de barrières en het ontstaan van een nieuwe orde. Ook hier zet ik dezelfde vraagtekens als bij de uitleg van Haffner.
Ebert: held of verrader?
Tenslotte kan de vraag worden gesteld of Ebert, door het neerslaan van de communistische revolte met hulp van de reactionaire krachten, de werkelijke revolutie heeft verraden of dat hij de socialistische revolutie heeft behoed voor een verdere, ongewenste radicalisering. Dit is een belangrijke vraag, waarbij de meningen van de betrokken auteurs sterk uiteen lopen. Vooral Haffner en Mann lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan. De eerste haalt in zijn tekst fel uit naar Ebert, die in de ogen van Haffner de revolutie al vijftig jaar gepredikt zou hebben. Toen het daadwerkelijk zover was, was de revolutie overbodig. Ebert had de revolutie dus niet gewild en gemaakt, maar hij had hem ook niet zomaar geadopteerd. Ebert had zijn tegenstanders bewapend om zijn eigen revolutie neer te slaan.
Op dit punt is Wehler het eens met Haffner. Ook hij gelooft in verraad van de eigen partij. Discutabel punt is de vraag waarom een revolutionair zijn eigen opstand neerslaat en bovendien zijn tegenstanders bewapent. Was Ebert wel de door de wol geverfde revolutionair die hij verondersteld wordt te zijn? Of was Ebert de man van de evolutie, waarbij veranderingen in de maatschappij langzaam en met beleid dienden te worden doorgevoerd?
Dit uitgangspunt zou in ieder geval een verklaring kunnen zijn voor het uitblijven van revolutionaire elementen zoals de herstructurering van het militaire apparaat, de overheidsorganen, de economie, de rechtspraak en de universiteiten. Predikte Ebert daadwerkelijk al vijftig jaar de revolutie, zoals Haffner beweert, of had Ebert het slechts over socialistische veranderingen? Het lijkt er hoe dan sterk op dat Ebert het doorslaan naar een communistische machtsovername wilde voorkomen. Een monsterverbond met de reactionairen was op dat moment in de ogen van Ebert de enige mogelijkheid om dit te bereiken. Of het echt de enige oplossing was, valt te betwijfelen. Het was wellicht beter geweest om de eigen achterban te bewapenen om zodoende een eigen, gecontroleerde troepenmacht te vormen.
Mann, een socialist, verdedigt Ebert inzake het neerslaan van de communisten. Hij wijst erop dat Ebert, orde en gezag wenste te handhaven, maar geeft toe dat de socialisten een fout hebben gemaakt door niet een eigen leger, maar juist Freikorpsen in te zetten. Deze Freikorpsen bestonden niet uit soldaten maar uit vrijwilligers, vaak avonturiers, en waren doorgaans moeilijk onder controle te houden. De communisten probeerden vervolgens de situatie te laten escaleren, maar de steun voor deze revolutionairen was niet bijzonder groot, in tegenstelling tot de steun die Lenin van de bevolking kreeg. Bovendien, zo zegt Mann, waren de sociaal-democraten bij de verkiezingen op 19 januari toch de grootste partij. Ebert deed er in zijn ogen dus nog niet zo slecht aan om de extremen te verachten.
Bakermat van Hitler-Duitsland?
Tot slot kan de vraag worden opgeworpen wat de revolutie voor gevolgen had voor de Weimar-democratie. Wehler is wat dat betreft heel duidelijk: de continuïteit van het bureaucratisch apparaat, onder andere op het gebied van economie, justitie, bestuur, leger en onderwijs, heeft als opstap gediend voor de komst van Hitler.
Ook Hess meent dat de conservatieve krachten via democratische weg in de persoon van Von Hindenburg aan de macht zijn gekomen. Joll benadrukt dat de starre houding van het nieuwe regime op korte termijn gerechtvaardigd was. Het voorkwam dat de Duitsers een slechte winter moesten meemaken en wellicht voorkwam het een burgeroorlog.
Tevens zegt Joll dat hierdoor wel een niet te repareren breuk ontstond tussen de socialisten en de communisten. Duitsland, met name politiek links, bleef dus sterk verdeeld. Verdere hervormingen vanuit linkse ideeën werden na 1918 niet doorgezet. De scheiding binnen politiek links bleek funest bij de opkomst van het nationaal-socialisme, daar politiek links niet in staat bleek te zijn tegenwicht te bieden aan deze extreem-rechtse stroming.
Conclusie
Revolutionairen in Berlijn. Bron; Wikipedia
Er kunnen met betrekking tot de Duitse Revolutie een aantal belangrijke conclusies worden getrokken. Ten eerste valt het niet te ontkennen dat de Duitse en Russische Revolutie gekenmerkt werden door een aantal opvallende overeenkomsten. Deze overeenkomsten wegen echter niet op tegen de talloze fundamentele verschillen tussen de twee gebeurtenissen, welke door de genoemde historici naar voren worden gebracht. Op basis daarvan kan gesteld worden dat de Duitse Revolutie niet op één lijn gesteld kan worden met de Russische Revolutie. Het zijn twee op zichzelf staande gebeurtenissen, hoewel de Duitse communisten zich ten dele wel lieten inspireren door de gebeurtenissen in Rusland.
Een antwoord op de vraag of er daadwerkelijk een revolutie heeft plaatsgevonden, is tweeledig. Enerzijds kan het begrip ‘revolutie’ terecht worden gebruikt als de waarde van het gedwongen vertrek van keizer Wilhelm II, de keizerlijke regering en de Duitse vorsten wordt benadrukt, evenals het belang van de verkiezingen voor de Nationale Vergadering. Het betekende immers het einde van het eens zo machtige Duitse keizerrijk. Anderzijds kunnen vraagtekens gezet worden bij het revolutionaire karakter van de gebeurtenissen, waarbij een opvolging van uitersten een essentieel onderdeel had moeten zijn. Maar zoals eerder al gesteld vond er bijvoorbeeld zeer beperkte bestuurlijke en maatschappelijke herstructurering plaats en ontbraken bij Ebert en de zijnen ook klassieke, communistisch-revolutionaire doelen, zoals het in handen krijgen van de productiemiddelen. De gevolgen van deze periode waren in dit opzicht dus beperkt. Ebert heeft zichzelf misschien nooit als revolutionair gezien, maar als een man van de gecontroleerde socialistische machtswisseling met een beperkt karakter. Het initiatief voor de werkelijke, totale revolutie lag bij de communisten, maar hun poging strandde wegens gebrek aan steun van de bevolking en het monsterverbond tussen de socialisten en de reactionairen, waardoor de communistische revolte de kop in gedrukt kon worden.
Wanneer de Novemberrevolutie gedefinieerd moet worden zal deze gebeurtenis, met inachtneming van het hiervoorgaande, omschreven moeten worden als een socialistische revolutie met een beperkt karakter, van onderen geïnitieerd door de massa en vervolgens van bovenaf verder geregisseerd door de politieke elite. Het invoeren van een parlement, dat nog plaats vond voor de matrozenopstand, is weliswaar een grote verandering, maar dient niet als revolutionair bestempeld te worden. Het betekende immers niet dat het oude, aristocratische systeem was verdwenen. De matrozenmuiterij in Kiel vormde de aanleiding, waarna de opstandigheid zich over het land verspreidde. Uiteindelijk resulteerde dat in het verzoek van rijkskanselier Max von Baden aan Wilhelm II om af te treden, waarna de socialisten bepaalden hoever de veranderingen zouden worden doorgevoerd. Ebert verried met het neerslaan van de doorgeslagen revolte zijn achterban niet, maar voorkwam dat een minderheidsgroep van communisten, naar Russisch voorbeeld, de macht zouden grijpen en een dictatuur zouden vestigen.
Of het instandhouden van het bureaucratisch systeem een opstap heeft gevormd voor nazi-Duitsland is door de historici onvoldoende aangetoond. Met juist beleid en onder de bepaalde omstandigheden is elk bureaucratisch apparaat, zij het soms met moeite, uiteindelijk om te vormen tot een democratische(r) regeringsvorm. Een aannemelijker verklaring moet gezocht worden in het feit de successen die uit de nieuwe democratie hadden moeten voortkomen in werkelijkheid uitbleven en dat de economische crisis het land naar de rand van de afgrond sleurde. Bovendien kon de tot op het bot verdeelde linkse Duitse politiek geen tegenwicht bieden aan de conservatieve krachten die de poorten van het Derde Rijk inmiddels langzaam openden. Op deze wijze kon een voedingsbodem voor de steun aan het latere nationaal-socialisme zich jarenlang ontwikkelen.
Bronnen
Drei Legenden – Sebastian Haffner (1979)
De revolutie van 1918/1919 – Jürgen Hess (1992)
Europe since 1870. An International History – James Joll (1990)
Trübes Ende, trüber Anfang – Golo Mann (1966)
Die Deutsche Revolution: Soziale Demokratie oder konservative Republik? – Hans-Ulrich Wehler (1973)
De Duitse revolutie: feit of fictie?
http://www.historien.nl –
- login of registreer om te reageren
-
Voeg berichten toe, reageer en beoordeel.
